Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Referentiepunt

Door Erik Clyncke

Houdt de boog in de booghand horizontaal boven het hoofd. Trek met de peeshand (rechts) de pees met de pijl tussen uw wijs-, middel- en ringvinger van de peeshand uit tot het door u gekozen “anker- c.q. referentiepunt” ergens tussen de onderkant van het oog en de boven- kant van de schouder. Houd uw boogarm (links) gestrekt en de peesarm (rechts) zoveel mogelijk recht naar beneden (één lijn).
Met de pijldop zoekt u naar uw volgende referentiepunt (één van de vogels) in de prang. Houdt de boog goed stil en richt, over of naast de pijl, op het doel in de prang. Los de pijl als u denkt dat deze op zijn doel is gericht. Laat de pees, als u de pijl lost, niet onder de vingers van de peeshand vandaan “rollen”. Dit voorkomt rollen van de pees en daardoor een ernstige “losfout”, die door de kracht van een compound boog zeer resoluut afgestraft wordt. Door de pees in een naar onder trekkende beweging te lossen ontstaat dit roleffect.

Door de peesvingers licht te ontspannen duwt de pees zelf, door de opgebouwde spankracht, de vingers weg!

Uiterste stand van de voeten

Als een schutter verder onder de “staande wip” vandaan wil staan moet hij rekening houden met een gemarkeerde cirkel van 2 meter Ø, waarvan de wipmast het middelpunt is. Meestal wordt dit aangegeven door een (kunst)grasmat, grint- of gravellaag. De schutter staat normaal met twee voeten in deze cirkel. (zie tekening hierboven)

De uiterste stand is met één voet in de cirkel en één voet erbuiten.
Verder mag het lichaam, been, voet en/of de arm de wipmast niet raken tijdens het richten én het lossen van de pijl. De “Baljuw” dient hierop te letten en de schutter, zo nodig, op deze fout te wijzen.