Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

De opbouw

Door Erik Clyncke

 De sleutel tot het goed boogschieten is herhaling; door keer op keer hetzelfde te doen! En dan niet zomaar schieten: nee, het steeds herhalen van dezelfde, zijwaarts gebogen houding, de stand van de voeten, boogarm, peesarm en peeshand, de houding van het hoofd, het oog en de pijl. Dit is de enige manier om het boogschieten op de “staande wip” goed onder de knie te krijgen. Op geen andere manier kan men zich deze vaardigheid eigen maken. Oefen en schiet dus zo vaak als je kunt!
We praten over de boog en de pees. Alles wat aan de boogzijde zit, (= de kant van de 
arm waarmee men de boog omhoog en vasthoudt) heet booghand, boogarm, boogbeen en boogvoet. Alles wat aan de peeszijde zit, (= de kant van de hand én arm waarmee men de pees spant) heet peeshand, peesarm, peesbeen en peesvoet. De hand waarmee de pees wordt aangetrokken (= peeshand) is bepalend om te weten of men een links- of rechtshandige schutter is. Met welke peeshand trek je de pees aan, links of rechts?  Dit wordt voornamelijk bepaald door de oog-dominantie.
Als het rechteroog overheerst, dan behoor je een rechtshandige boogschutter te zijn. Hoe kom je daar achter? 
Wijs met een wijsvinger naar een bepaald doel boven je hoofd. Beide ogen zijn hierbij geopend. Sluit nu één oog en kijk of je wijsvinger de neiging vertoont af te wijken van het punt waar je naar wijst. Als je vinger zich verplaatst, dan is het oog dat je gesloten had jouw dominante oog. Probeer het opnieuw, maar dan met het andere oog gesloten. De vinger behoort nu naar dezelfde plaats te blijven wijzen. Sommige mensen hebben géén dominant oog, beide ogen zijn dan even sterk. In dat geval is het, voor diegene die normaal rechtshandig is, het beste met de rechterhand (is dus zijn peeshand) te schieten en omgekeerd voor linkshandigen. Richt men nu met één of met beide ogen? Dit is een persoonlijke voorkeur. Als men met het rechter oog het best kijkt (dominant rechter oog) dan houdt men de boog met de linker booghand vast en trekt men met de rechter peeshand de boog aan. Men gebruikt hier dus een rechtshandige boog (meest voorkomend). Bij een beter linker oog (dominant linker oog) houdt men de boog met de rechter booghand vast en trekt men met de linker peeshand de boog aan.
Men gebruikt hier dus een
linkshandige boogHet “kijkende oog” bevindt zich dus het dichtst bij de pijl. Is er géén dominant oog dan telt meestal het gegeven of men links- of rechtshandig is. De “boogzaak”, waar men de boog aanschaft, zal u hierin zeker adviseren.

De schiethouding

 Een goede houding ligt ten grondslag aan een goed schot. Zeker bij zijwind! Ga op 30 tot 90 cm. uit de wipmast recht onder de prang staan, met de neuzen van uw schoenen op een “denkbeeldige lijn”, die gelijk loopt met de achterlijn (zie tekening hierboven en hieronder).




1/ Sta rechtop én ontspannen. Zet de voeten ca. 40 cm. uit elkaar zodat ze recht onder de schouders staan.
2/ Zet de rechtervoet iets schuin naar buiten.
3/ Leg de pijl in de boog door deze in de pijlsteun te leggen en klik de inkeping van de pijlnok (= meet) over de pees tussen de nokpunten. Houdt met de booghand (links) de niet gespannen boog, mét de aangeklikte pijl, links van u, met de booghand schuin naar beneden. 
Het is belangrijk dat de pijl niet té los of té vast op de pees  zit.   Controleer dit door de aangeklikte pijl naar beneden te laten hangen en terwijl deze aan de pees “vastzit” een lichte tik op de pees te geven. De pijl behoort dan niet van de pees te vallen.
L
 Dit is de “1 basishouding” en het uit-ste gangspunt bij het schieten op “staande wip”.
4/ Vanuit deze “1 basishouding” heft u inste één vloeiende beweging de boogarm (links) naar boven, tot de boog horizontaal boven uw hoofd komt. Voeten én benen mogen hierbij niet verdraaien. De heup “drukt” u iets naar links. De boogarm komt, als het ware, bijna “bovenop het peesbeen (rehte
rbeen) te staan. Het boogbeen staat strak terwijl het pees-been (rechterbeen) iets ontspannen gekromd staat. De “2 basishouding” bij het schieten op “staande wip”.
4 a/ Zorg bij het zijdelings naar rechts weg buigen van het bovenlichaam, voor een goede gewichtsverdeling van het lichaam over de beide voeten. Het lichaamszwaartepunt dient centraal gehouden te worden. Houdt bij elk schot een identieke voetpositie aan. Houdt de schouders zoveel mogelijk verticaal ten opzichte van de wipmast. (zie foto’s hiernaast )









 b/ Plaats de knokkels van de booghand onder een hoek van 45º op het booghandvat en controleer of de handgreep prettig en op de juiste manier in de booghand ligt. Controleer of de hand ontspannen is.
“Middellijn” Volgens van Dale Groot Woordenboek » rechte lijn gaande door het middelpunt van een meetkundige figuur of wat daardoor kan worden voorgesteld.

4 c/ Plaats de booghand op de handgreep van de boog met de middellijn van de Y-as tussen duim en wijsvinger en in lijn met de middellijn van de boog. Het midden van de handgreep behoort dan te rusten op de basis van de duimspier (muis). Tijdens het spannen wordt de druk op de duimspier overgedragen op de boogpols en zo weer op de boogarm. De duim en de vingers van de booghand dienen ontspannen te blijven en de vingers zijn met een lichte kromming rond de bovenkant van de handgreep gekruld.  Hiermee wordt voorkomen dat de boog uit de booghand wipt als de pees gelost wordt. Wij behoeven op deze wijze dus ook géén “polssling” te gebruiken.

4 d/ Uitgaande van het gegeven dat we met een rechtshandige schutter te maken hebben pakt men de pees met de rechter wijs-, middel- én ringvinger van de peeshand vast. De wijsvinger zit rechts van de meet en de middel- en ringvinger zitten links van de meet. Krom de vingers van de peeshand om de pees (zie tekening rechts), zodat de pees achter het eerste gewricht van alle drie de vingers rust. Sommige boogschutters geven de voorkeur aan het schieten met de pees vóór de gewrichten, dus tegen de vingertoppen. De achterliggende gedachte is dat op deze manier de pees beter gelost kan worden. In feite verlangt dit, om het goed te doen, een goede spierbeheersing van de peeshand. Ook zijn er schutters die met de wijs- en middelvinger de pees trekken. Tegenwoordig is men van mening dat een diepere greep van de peeshand op de pees minder kracht vraagt (meer ontspannen is) en daardoor een zuivere lossing tot gevolg heeft.

4 e/ Zorg dat er voldoende speling tussen de wijs- en de middelvinger van de peeshand en de meet is, zodat de vingers de meet niet raken (hiermee wordt het “knijpen” van de meet voorkomen). Een gevolg van het knijpen in de meet is, dat de pijl tijdens het spannen van de pees zijwaarts tegen de winding (serving) van de pees getrokken kan worden.  Nokringen kunnen dit voorkomen.

4 f/ De boogarm is een van de meest kritische onderdelen bij het schieten. De boogarm moet tijdens het schieten stabiel en vast zijn. Om de kracht op te brengen dient de schutter de boogarm zoveel mogelijk verticaal op de schouder te plaatsen,
nadat de romp wat zijwaarts gekanteld is. Uitgangspunt is de wipmast, waarmee de boogarm, zoveel als mogelijk, evenwijdig moet zijn. Houdt de 
elleboog van de peesarm zoveel mogelijk recht onder de pijl.

4 g/ Deze houding moet niet geforceerd zijn. De booghand staat op 45º op de handgreep en tegelijk draait men de boogarm iets naar rechts Door deze draaiing wordt de elleboog van de boogarm én de boogonderarm dus weggedraaid uit het centrumHierdoor haalt men de boogarm uit de lijn die de pees zal volgen bij het lossen. Deze “arm stand” zal ervoor zorgen dat de pees een ongehinderde en vrije doorgang heeft én men geen schaafwond of blauwe plek(ken) op de boogonderarm oploopt. Een afdoend hulpmiddel tegen deze blauwe plek(ken) is het dragen van een armbeschermer, welke gemaakt is van leer, metaal of hard plastic.

4 h/ Het voorbereiden van het schot is de gelegenheid om de basisprincipes op de juiste manier toe te passen, de boog en de pees op de juiste wijze vast te pakken en je te ontspannen voordat je daadwerkelijk gaat schieten. Door te ademen met de buik haalt men goed lucht in de longen en wordt het hart niet samengedrukt zoals bij borstademhaling. Neem de schiethouding aan. Adem in bij het uittrekken van de pees en houd de adem even vast tijdens het richten tot na het lossen van de pijl.
Dus lang richten heeft niet zoveel zin, mits men de ademhaling aanpast!

4 i/ Controleer, nét voor het richten, nogmaals of de pijl goed in de pijlsteun zit. Er is maar één manier voor het spannen van de boog onder de “staande wipSpan de boog pas als deze zich in horizontale positie boven het hoofd bevindt. Men spant de boog dus nooit vooraf om hem daarna in gespannen stand naar boven te draaien! Dit vooral in verband met de VEILIGHEID (tussentijds loslaten). 

5/ Nu trekt u de pees met de peeshand aan tot het door u bepaald  referentiepunt. De “3 basishouding” bij het schieten op “staande wip” .
“Referentiepunt” Volgens van Dale Groot Woordenboek » naar punt verwijzend.
“Ankerpunt” Volgens van Dale Groot Woordenboek » punt aan de ankerhand, vast punt.
5 a/ Het “ankerpunt” is de plaats waar de vingers van de peeshand zich bevinden bij een uitgetrokken pees. Dit is een punt tussen de onderkant van het oog en de bovenkant van de schouder. Dit is dan het referentiepunt. De pees mag het gezicht niet raken. Na verloop van tijd zal de schutter daar een vast referentiepunt
vinden! Het nut van dit “ankeren” is om een steeds reproduceerbare positie te ver-
krijgen van elk schot, waardoor men gaat schieten.

5 b/ Doordat de pees bij een “uitgetrokken compound boog” veel minder trekkracht vraagt kan de booghand en de boogarm beter stil en stabiel gehouden worden. Met de rechter peeshand wordt de pees naar het referentiepunt getrokken, zoals hierboven omschreven. Men gaat dan voor: “het ankeren” van de peeshand.