Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

geschiedenis van "de staande wip"

Door Erik Clyncke

De geschiedenis van het “wipschieten” gaat terug tot vòòr het begin van onze jaartelling. Dit valt af te leiden uit oudheidkundige vondsten. Nadat de vuurwapens de boog verdrongen hadden, bleef het boogschieten bestaan als folkloristisch tijdverdrijf bij schutterijen en schuttersgilden en later ook als sportieve ontspanning in de daartoe opgerichte boogschietverenigingen. Bij het wipschieten onderscheidt men twee vormen: het vogel- of gaaischieten, ook wel “stamschieten” genoemd en het schieten op de“liggende -” of “staande wip”.

Vogel of (pape)gaaischieting

Het vogelschieten (niet onze discipline) met pijl en (kruis)boog of geweer is al uit de Oudheid bekend. In het heldendicht “Aeneïs” van Vergilius (deze auteur leefde van 70 tot 19 vóór Christus) wordt een beschrijving gegeven van het schieten op een (levende ?) duif die vastgebonden was aan een scheepsmast. In latere tijden werd gebruik gemaakt van molenwieken en kerktorens, waarop of waaraan een namaakvogel was geplaatst. Daar deze houten vogel zeer kleurrijk was versierd, ontstond de naam: (pape)gaaischieten. In Zeeland, Oost-Brabant (Nederland) én in België wordt het vogel of gaaischieten (met een kruisboog of geweer) beoefend door meerdere schutterijen en/of schuttersgilden. De gildenbroeders, veelal gestoken in folkloristische kledij, schieten op 1 vogel (in Domburg (Zeeland) op “stroenken”, = een poppetje, geassocieerd aan een locale persoon en een scheepje die op een ijzeren plaatje met een diameter van 13 cm. staat, boven op een circa 14 meter hoge schietboom. Dit plaatje kan er wel afgeschoten worden, maar het valt niet op de grond omdat het aan een draad blijft hangen. Met die draad kan men, onder aan de schietboom, het plaatje weer op de top van de schietboom trekken. 

 

Staande wip



 Naast het (pape)gaaischieten is er nog een andere vorm van het vogelschieten, waarbij een boog (composiet-, recurve- of een compoundboog, maar géén kruisboog of geweer) wordt gebruikt. De pijlschachten veranderden van conisch naar recht en kregen een platte (kunststof) dop op het pijluiteinde. De schietboom, hier “staande wip” of wipmast genoemd, heeft een hoogte van 21 tot 24 meter. Hierop staat een schietvork of prang, ca. 6 meter hoog, geklemd of geschroefd, waardoor de totale hoogte ca. 30 meter wordt. Deze prang staat vol met“vogels” (Deze vogels zijn bevestigd op de pennen van de prang). Elke vogel bestaat uit een houten of kunststof klosje waaraan, door middel van een verticaal geplaatst ijzerdraadje, een gekleurde pluim is gehecht. Het raakvlak van zo'n vogel is niet groter dan ½ tot 1 ½ cm. Ø! Op de drie dwarslatten van deze (Nederlandse) prang staan van beneden naar boven 14, 12, en 10 “kleine vogels” of “mises” (kleine, pasgeboren vogels). Dan volgt daarboven aan weerszijden een ”kal” of “cane” (wijfjeseend). Daarboven, eveneens aan beide zijden van de mast, staan een “zijde” of “poule” (kip). Op het bovenste punt, op de top van de prang, staat de belangrijkste vogel, de “hoge” of “coq” (haan). De prang telt in Nederland 41 vogels, te weten: 36 klein vogels, 4 grote vogels (zij en kal) en een top. Bij het “Koningschieten” zijn alle latten en de 4 vorken aan weerszijden van de prang leeg en prijkt alléén de Koningsvogel op de top. Variaties op de benamingen en het aantal vogels komen voor. In België kan een prang tot 56 vogels gevuld zijn, te weten: 36 of 49 kleine vogels verdeeld over 3 of 4 dwarse banen, 4 of 6 grote vogels en een top. In Frankrijk  kunnen dat tot 69 vogels zijn, te weten: 60 tot 62 kleine vogels verdeeld over 5 dwarse banen, 6 grote vogels en een top. Deze vorm van vogelschieten, “staande wip”, wordt in België door ca. 5.700 leden beoefend, ook in Noord-Frankrijk wordt deze vorm van schieten veelvuldig beoefend. In Canada treft men deze vorm van het handboogschieten eveneens aan. Belgische emigranten brachten de “staande wip” aan het begin van de 20 e eeuw mee naar hun “nieuwe vaderland”.